Wie ik ben
Ik ben een wild zwijn (Sus scrofa). Met mijn familie vorm ik een rotte: zeugen, keilers, jongen. Ik graaf, wroet, snuffel en speur. Ik leef vaak in de schemer en de nacht en ontwijk de mens waar ik kan. Maar ik bén er – in het struikgewas, tussen wortels, in het kreupelhout van de Veluwe.
Mijn leven is collectief en ritmisch, verbonden met bodem en bos.
Mijn rol in het ecosysteem
Ik ben een ingenieur van de bodem. Door mijn wroeten komt mineralige grond aan de oppervlakte, ontstaan open plekjes, en krijgen pionierplanten en insecten ruimte. Ik meng blad en bodem, ik help zaden kiemen en ik zet afbraakprocessen in beweging. In mijn sporen verandert de structuur van het bos – soms zichtbaar, vaak juist ondergronds.
Mijn aanwezigheid houdt het systeem dynamisch, zolang ik ruimte krijg om te bewegen en rust te vinden.
Mijn waarde voor mens en klimaat
Soms word ik “probleem” genoemd. Omdat ik wegen kruis, akkers opzoek, of zichtbaar word waar mensen dat niet willen. Maar ik ben geen indringer: ik ben onderdeel van dit landschap en van zijn voedselweb. Waar ik vrij kan leven, hoor ik bij de ervaring van het wild – een Veluwe die niet alleen ingericht is, maar ook zichzelf mag zijn.
En ik laat iets zien dat belangrijker is dan mijn soort alleen: of een gebied nog voldoende ruimte, dekking, rust en samenhang heeft om natuurlijke processen te dragen.
Wat mij bedreigt
Mijn wereld wordt kleiner wanneer rust en samenhang verdwijnen. Ik raak mijn jongen kwijt als ik steeds moet uitwijken. Niet alleen door één bron, maar door stapeling: licht in de nacht, geluid, intensieve recreatie, boswerk in kwetsbare perioden, evenementen, nieuwe paden, bouw, en vooral de versnippering door wegen, rasters en barrières.
Ook beheer kan mij bedreigen wanneer het vooral op controle is gericht en minder op ecologische samenhang: wanneer rustgebieden krimpen, wanneer beweging wordt ingeperkt, of wanneer ingrepen worden gedaan zonder goed zicht op mijn sociale structuur en het seizoen waarin ik jongen heb.
Wat vergeten WORDT
Ik sta niet symbool voor zeldzaamheid, maar wel voor functie. Mijn rol is groot, juist omdat ik een proces ben: bodemverstoring, kieming, afbraak, structuurverandering. Als beleid alleen focust op “kwetsbare soorten” en “mooie habitatkaartjes”, verdwijnt makkelijk de vraag: welke soorten dragen het systeem, en welke processen zijn onmisbaar?
En omdat ik mij kan aanpassen, lijkt het soms alsof ik “wel mee kan”. Maar aanpassing is niet hetzelfde als gezondheid: als ik geen rust meer vind, schuif ik op. Dan word ik zichtbaarder, conflictgevoeliger, en uiteindelijk wordt de balans slechter voor iedereen.
Wat ik vraag
Laat zones bestaan waar ik ongestoord kan wroeten en rusten. Houd corridors open zodat ik niet gedwongen word langs wegen en dorpsranden te bewegen. Plan werkzaamheden en ingrepen zorgvuldig in tijd en ruimte, met aandacht voor de periode waarin ik jongen heb en voor mijn sociale structuur. En ontwerp ruimte zo dat het systeem klopt: rust, dekking, natte en droge zones, en voldoende voedsel in het landschap zelf – zonder dat ik naar mensen toe hoef te schuiven.
Behandel mij niet als risico dat je “oplost”, maar als deel van het systeem dat je zegt te willen beschermen.
Mijn stem
Ik spreek niet, ik spoor. Maar wie mij volgt, ziet hoe nauw mijn bestaan verbonden is met bodem, bos en rust. Ik vraag geen podium. Ik vraag bewegingsruimte. Zodat mijn jongen kunnen opgroeien in luwte, zoals het hoort in een levend landschap.
Juridisch kader
Het wild zwijn is een inheemse soort. Onder de Omgevingswet vallen activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren in het wild onder de regels voor flora- en fauna-activiteiten. Daarbij geldt altijd de specifieke zorgplicht (Bal, art. 11.27): wie weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een activiteit nadelige gevolgen kan hebben, moet die gevolgen voorkomen of beperken – ook als er geen vergunningplicht geldt.
Daarnaast kennen de rijksregels (Bal) verboden en vergunningplichten voor bepaalde handelingen zoals het opzettelijk doden of vangen van beschermde diersoorten; provincies werken dit in de praktijk uit via vrijstellingen, ontheffingen en faunabeheer.
Omdat delen van mijn leefgebied op de Veluwe binnen Natura 2000 vallen, geldt bovendien dat plannen of projecten die kunnen leiden tot verslechtering of significante effecten op beschermde habitats vooraf zorgvuldig moeten worden beoordeeld conform artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Ook wanneer het “maar” om een ruimtelijke ingreep, infrastructuur of beheermaatregel gaat: verslechtering mag niet worden weggezet als bijzaak.
Bronnen
- NDFF Verspreidingsatlas – Sus scrofa (Wild zwijn): status/trend, ecologie, indigeniteit en bescherming (“Omgevingswet – andere soorten”)
- Nederlands Soortenregister – Sus sofa (Wild zwijn): naamgeving en soortinformatie
- IPLO – Flora- en fauna-activiteit (Omgevingswet): uitleg rijksregels en vergunningsplichten
- IPLO – rijksregels flora- en fauna-activiteit: specifieke zorgplicht( =Bal art. 11.27)
- Habitatrichtlijn 92/43/EEG, art. 6 + EU-toelichting/leidraad over art. 6 (passende beoordeling, cumulatie)
- Dierenbescherming – dossier/factsheet wilde zwijnen (ecologische rol, wroeten en biodiversiteit)
- BIJ12 – “Wilde zwijnen op weg in Nederland” (analyse risico’s / aanrijdingen / beleid)
- Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework (CBD): nadruk op behoud en herstel van biodiversiteit en ecosysteemfunctie
